Gerrit Komrij

Dichtbundels, kritieken, essays, eredoctoraten  en romans staan op zijn naam. Maar waar Gerrit Komrij vroeger gevreesd was voor zijn vlijmscherpe pen en genadeloze kritieken, daar wordt hem nu mildheid en matigheid verweten. Geheel onterecht volgens de Dichter des Vaderlands: “Ik heb me alleen voorgenomen minder chagrijnig te kijken en wat meer te gríjnzen.”

Tekst: Gideon Querido van Frank
Dit artikel verscheen eerder in sQueeze

“Nee, ik ben niet milder geworden en snap ook nooit hoe mensen steeds maar weer bij die vragen over mildheid komen. Het heeft zich waarschijnlijk toch ergens vastgezet. Ik heb vroeger heel veel kritische en soms ook provocerende stuken geschreven en dat ga ik niet nog een keer doen. Op een gegeven moment wil je weer eens wat anders op een andere manier. Zoals bijvoorbeeld romans schrijven. Maar waarom zou die vorm moeten inhouden dat ik milder ben geworden? Ik laat me gewoon niet meer zoveel uit over die bepaalde besproken zaken. Waarom zou ik mezelf gaan herhalen? Tenzij ik daarover een andere mening heb gekregen, maar dat heb ik niet.” Een opmerkelijk uitspraak van iemand die door zijn vrienden geroemd werd voor zijn afkeer van ideologische dogma’s en door zijn vijanden beschuldigd werd voor intellectuele promiscuïteit. Immers het steeds veranderen van mening, wat voor velen gezien werd als provocatie en het spelen met maskers, was juíst een kenmerk van Komrij’s oeuvre. Vanwaar deze omslag naar continuïteit?

Wijsneuzen

“Nee, geen continuïteit. Ik vind nog steeds van een schrijver dat hij er niet een mening op na moet houden. Dat is toch wel een vrij monolithisch uitgangspunt. Dé mening, je moet sowieso overal voortdurend een mening over hebben. En Nederland stikt al van de wijsneuzen die over alles een mening hebben. Ik vind dat je moet reageren op meningen. En zo’n reactie kan erg verschillen met  de manier waarop je op andere meningen reageert. Het kan het zelfs tegenspreken. En daar is niets mis mee. Ik zou zelfs zonder die tegenstrijdigheden niet kunnen leven. Ik heb natuurlijk over heel veel zaken een mening, maar stel je voor dat je helemaal aan vast vriest. Dat is toch verschrikkelijk? Morgen kan je misschien wel een andere mening hebben. Dat is vrijheid. Daarom heb ik ook zo’n moeite met essays. Hoewel ik ze natuurlijk ook zelf schrijf, als zal ik ze nooit zo noemen. Een essay heeft iets rechtlijnig. Iets van ik-heb-een-mening en laat me dus haarfijn uitleggen hoe de wereld in elkaar steekt. Een opinie. Natuurlijk heb ik vaak een zeer uitgesproken mening. Maar daar hou ik me niet aan vast. Wanneer ik een stuk schrijf sta ik even stil, ik reflecteer heb een mening. Ik denk dat het voor de lezer een ongelofelijke belediging is, wanneer de schrijver altijd maar nuanceringen aan het aanbrengen is. Mits, doch, tenminste… vreselijk. Dat gaat enorm de keel uithangen. Dus je hebt op dat moment een heel uitgesproken mening. Maar dan ga je iets verder op staan en dan heb je opeens een heel andere uitgesproken mening. Heeft ook heel veel te maken met stijl en formulering. Minder met een vaste politieke overtuiging.”

“Wanneer ik een stuk schrijf, sta ik even stil, ik reflecteer, ik formuleer een mening. Het is voor de lezer een belediging wanneer de schrijver altijd maar nuanceringen aanbrengt.”

Het steeds veranderen en herzien van een mening heeft dus niet alleen te maken met tijd, afstand en afhankelijkheid. Het heeft ook, misschien wel vooral, te maken met provocatie. Bekend citaat van Komrij is dan ook: “Omdat de auteur af en toe een standpunt moet innemen, doet hij er het beste aan, zijn houvast opzettelijk in het verkeerde milieu te situeren. Geen kameleon, maar een rode lap voor een stier…” Maar zou hij dit ook nu nóg zeggen in? “Dat heb ik gezegd en ook gedaan in de jaren tachtig. Toen had je nog van die grote tegenstellingen tussen links en rechts. Ik wilde nog wel eens een links stuk in het liefst een zo rechts mogelijke krant schrijven, of omgekeerd. Ik bedoel, wat is de lol om een links stuk in een linkse krant te schrijven? Daar heb je niets aan. Want in zo’n krant wil je natuurlijk onmiddellijk een rechts stuk schrijven. Het heeft toch weer te maken met de behoefte om in de contramine te zijn. Dat zit je toch wel in. Dat heb je als kind en dat krijg je dan ook niet meer kwijt. En die houding heeft natuurlijk ook iets te maken met cynisme. Ik denk dat wanneer je met cynisme geboren bent, je een stuk gezonder in het leven staat, dan wanneer je dat cynisme in de loop der jaren vergaart.” Grinnikend: “Het beste is gelukkig zijn in je schizofrenie. Ik snap niet dat mensen daar ongelukkig mee kunnen zijn! Ik zou pas heel ongelukkig zijn als ik een pure optimist zou zijn geweest die maar in een onveranderlijke overtuiging geloofde.”

Het loopt meestal verkeerd af

“Je kan het best zo pessimistisch en negatief mogelijk beginnen. Dan valt alles uiteindelijk nog wel wat mee. Als je als een heel blij schaap begint, en je krijgt de ene klap op je kop na de andere, dan gaat het ook niet goed met je. Dan word je depressief. Of je krijgt de intense wens je te gaan verhangen aan een stuk touw. Ik verhang me alleen al niet omdat ik me altijd weer verwonder dat het elke dag weer licht wordt. Dat zijn van die  basis-gelukken waar je ook meer dan genoeg aan hebt. Zo’n verwachting is beter dan die van mensen die veel te hoopvol hebben ingezet en veel meer verwachtingen van de wereld hebben. Die kunnen volkómen van de kaart zijn van geluk en vol naïeve hoop bij een nieuwe relatie of een zojuist gebouwde woning. Nou ja, daar ga ik natuurlijk ook weer niet hoofdschuddend bij staan! Vroeger misschien wel. Maar die verwachtingen komen natuurlijk nooit echt uit en lopen uit tot teleurstellingen. De praktijk leert dat je in 99 van de 100 gevallen gelijk krijgt met m’n ideeën. Het loopt meestal verkeert af. Dat is ook meestal mijn eerste reactie bij dingen die ik zie of hoor: ‘Tegen. Ik ben er tegen.’ Maar goed daar kan je niet mee leven. Dat heb ik toch wel geleerd in de loop der jaren. Dan word je een soort chagrijn, dan ga je verzuren. Van een embryo word je opeens een chagrijnige oude kerel weet je wel, terwijl je dezelfde meningen hebt.  Dus ik hou het altijd maar heel even bij me, dat woordje ‘tegen’ en zeg dan: ‘Mwa, mwa, daar zit wat in…’ met wat gespeelde goeigheid.” Gespeelde goeigheid? “Ja, nou ja… wel heb ik me voorgenomen, meer te grijnzen en minder chagrijnig te kijken. Maar dat is ook een afweermechanisme, natuurlijk. En misschien ook omdat ik nu in Portugal woon en alle dingen die me vroeger benauwen en waar ik me aan ergerde, daar zit ik nu niet meer tussen.  Daar heb je een zekere afstand van. Je kan meer de absurde en komische kant van dingen zien, het is allemaal niet meer zo bedreigend. Je weet dat je hier volgende week niet meer bent. Je kan er weer tussenuit, je kan weer wég. En het blijft natuurlijk wél míjn land. In elk gebaar en in elke eigenschap waar ik me zo aan irriteer herken ik natuurlijk ook mezelf. Ik heb altijd heimwee naar Nederland. Maar daar moet ik aan toevoegen dat ik ook heimwee heb naar Portugal. Heimwee is een heel ingewikkeld principe. Maar ik heb geen heimwee naar ‘Holland’ in de zin dat ik denk dat hier mijn vaderland is. Ik denk niet dat ik hier thuis hoor in de zin van dat ik in kaplaarzen gestoken in het aardappelveld moet lopen of dat ik op de afsluitdijk met een Zuidwesterwind moet staan. Dat soort gevoelens heb ik niet. Je hebt natuurlijk wel plaatsen waar je thuis bent. Een stad als Amsterdam ken ik natuurlijk als mijn binnenzak. De plekken waar je vrienden zitten.”

”Ik word net zo stompzinnig als de maatschappij.”

”Als je lange tijd in het buitenland zit, krijg je natuurlijk wel zo’n tweedeling. Maar het is weer niet zo’n heimwee als van ‘Nu wil ik daar zijn’. Ik heb absoluut besloten dat wanneer ik hier ben, niet daar te willen zitten en omgekeerd. Ik ben op beide plekken gelukkig. Toch is dat gevoel van heimwee in zoverre constant aanwezig dat je op twee plaatsen tegelijk zit en dat je nergens helemaal thuis bent. Maar pijnlijk is het niet. Wel weemoedig. De Nederlandse televisie mis ik niet. Misschien de Nederlandse actualiteit. Máxima’s zegetocht heb ik op de radio gehoord en daar hoorde ik iets heel geks. Namelijk hoe Nederland na vijf minuten om was. Dat was voor het eerst in mijn leven dat ik televisie op de radio heb gezien. Dat mensen van allerlei rangen en standen die je voor heel verstandig hebt gehouden en absoluut over hun zinnen beschikkend, ineens door deze dame uit het veld waren geslagen. Het zij zo. Ik heb wel positieve ideeën over het koningsschap, hoor. Maar die zijn meer over de symboliek daarvan dan over de personen… Raar land dat Nederland, maar ik zit lekker ver weg. En toch. Toch wijst elk krantje me er op dat ik door en door een Nederlander ben. Maar als je hier woont dan moet je vechten voor je plaats. Maar als je daarnaast bent gaan zitten, dan hoef je niet meer zo te trappen. Je kan je luchtig met andere dingen bezig houden. Je bent niet meer bezig met dat afweermechanisme.”

Stompzinnig

“Maar niet alleen Nederland zorgt voor afstand. In de jaren tachtig waren tegenstellingen groter. En daar reageer je op. Maar dit is een heel gemakzuchtige tijd. Ik bedoel alles mag, we hebben allemaal geld, we zijn met z’n allen nog nooit op een moment tegelijkertijd zo rijk geweest. We hebben alles meegemaakt, we hebben alles gezien, alle landen van de wereld bereist, alle standjes uitgeprobeerd, alles in huis gesleept, alles gekregen, gerookt en gezopen wat we wilden. Dus het is logisch dat mensen zich nu dingen gaan wijs maken. Een beetje in een soort kabbelende slaperige sfeer zich bevinden, waardoor de werkelijke problemen en verhoudingen niet meer precies worden onderscheiden, he? Die zijn een beetje vaag geworden.  We kunnen door onze rijkdom en vrijheid en vrede een beetje gelukkig zijn en dat willen we dan ook.  Maar daar wordt je natuurlijk ook een beetje stompzinnig door, he? En dat kan ook gevaarlijk zijn. Mensen rennen altijd achter één waarheid aan. Je kan ze van alles wijsmaken. En verwacht niet dat ik daar ongevoelig door word. Ik word net zo stompzinnig als de maatschappij. Als je tegen blinde muren en gewatteerde dingen aanslaat met dingen, dan houdt dat stompen vanzelf op. Eigenlijk moet heel gelukkig met slappe tijden wezen. Wat zou je dan de mensen ellende en armoede en oorlog toewensen, om weer een beetje te zien waar het omgaat? Bij God niet, je bent eigenlijk heel blij dat iedereen zo stompzinnig en rijk is. Maar we zitten toch wel in een maatschappij die nauwelijks nog iets van haar herkomst, van haar oorsprong en toekomst onderscheiden kan. Een beetje gelukkig zitten wezen. Je hoeft nergens meer om te vechten. De bedompte sfeer van tevredenheid. Het is zo ongelofelijk jammer dat mensen die alles hebben, niet iets beter kunnen doen met de positie die ze hebben. Ook voor homosexuelen. Was het eerst nog het homohuwelijk, nu gaat het alleen nog maar om het besluiten van welke kleur jurk je aan gaat trekken.”

Homoseksuele stoep

“De hoofdreden waarom ik naar Amsterdam trok in 1965 had eigenlijk weinig te maken met mijn studie. Ik wist heus wel wat er in Amsterdam gebeurde. Ik kan je ook niet uitleggen hoe die sfeer toen was. Homoseksualiteit was gewoon iets waarover gefluisterd werd. Toen in mijn jeugd dat woord voor het eerst op de televisie viel was dat waarschijnlijk uitgesproken door een christelijke psychiater. Er werd dus niet over gepraat. Maar je wist natuurlijk heel donders goed, dat waar het gebeurde was in Amsterdam. Mijn ouders hebben nog geprobeerd me naar Utrecht te krijgen of naar Groningen – allemaal plaatsen waar ik niet naar toe wilde. Toen ik in Amsterdam kwam, ben ik dus ook meteen in dat milieu verzeild geraakt. Dan was ik toch wel elke avond tot diep in de nacht, zeven dagen in de week in die cafés te wachten en te hopen. Mijn studie ging er aan, maar mijn wachten werd beloond. Ik leerde Charles Hofman kennen in Amsterdam toen ik negentien was en hij zeventien. We zijn nu nog steeds bij elkaar. Maar dat Amsterdam van toen was voor mij dé wereld en het was nieuw voor me. Het was echt een soort deelnemen aan een volkomen alternatieve maatschappij.  Een kleine gesloten volkomen afgeschermde maatschappij die functioneerde binnen die andere maatschappij. Mensen die pas ’s avonds om half tien als ratten uit hun holen de straat op kwamen en een schaduwwereld gingen vormen. Dat vond ik heel erg boeiend. Ik was er dan ook heilig van overtuigd dat dat dé wereld was. Die overtuiging heb ik eigenlijk nog altijd. Die wereld bestaat natuurlijk niet meer, maar het idee dat de werkelijke wereld zich in de niet officiële wereld afspeelt, dat idee houdt me nog altijd erg bezig. Dat wat onder de officiële kant gebeurt. De stad was verdeeld in zeven homocafés of zo, dat was alles. En dan wist je nog waar een homoseksueel hotel was en dan wist je nog twee pensions waar ze een homoseksuele stoep hadden en dan was er nog een homoseksuele brug, maar dat was een heel leven, he? Al die bewegingen van de jaren zestig heeft die wereld helemaal opengebroken. Toen er opeens geen portiers en geheime ingangen meer waren was het op de eerste plaats toch wel leuker. Toch koester ik nog wel een beetje een nostalgie voor kleine steden in landen rondom de Middellandse Zee en het Oostblok. Daar heb je nog hele ondergrondse maatschappijen. Toch heb ik geen heimwee naar die tijd. Je wist gewoon niet anders. Er wás geen andere mogelijkheid. Zo was het en zo had je het idee dat het altijd zou blijven. Tien jaar later is die homoseksualiteit overgenomen door de televisie en is het een soort gezelschapsspel geworden. Alom tevredenheid en geluk. En dat maakt het saai. Maar goed, die  spanning van vroeger is een soort spanning die je dan herkent als je van je ouders hoort dat het zo dubieus gezellig was in de Tweede Wereldoorlog…”

“Ik geloof dat homoseksuelen die denken volkomen geïntegreerd te zijn een fatale vergissing begaan.”

Vadertje en Moedertje

“Het valt uiteraard niet te ontkennen dat het een onomstotelijk feit is dat homoseksualiteit een zekere vorm van outsiderschap geeft. Het is er inherent aan. Ik geloof dat homoseksuelen die denken dat zij volkomen geïntegreerd zijn en net zo zijn als alle andere mensen en o zo prachtig gewoon, dat die een fatale vergissing begaan. Althans, aan een enorme mate van zelfbedrog lijden. Maar goed, dat hoort weer bij de gezapigheid van deze tijd. Vroeger was die wereld een stuk solidairder. Maar aan de andere kant hing het natuurlijk aan elkaar van de nichtenvalsheid. Het onder de tafel liggen van het lachen. En daar leer je natuurlijk ook gemeen zijn natuurlijk, he? Ik heb wel eens in een stuk fel van leer getrokken tegen verwijfde nichten. Het zou op een misverstand berusten en zou verraad aan eigen nestgeur zijn. Zoals met veel meningen ben ik ook die mening niet meer toegedaan. Ik bedoel in al die jaren was het toch wel een halve-wijvenwereld. En toen dat op een gegeven moment niet meer hoefde, vond ik het toch ook wel heel erg prettig dat jongens en mannen daadwerkelijk jongens en mannen waren. En ik vond toen ook dat als je als homoseksueel op mannen viel, je dan ook geen nepvrouw moest nemen. Dan moest je een man nemen. Wat dat dan ook was. Het was dus een reactie van het moment. Maar dat vadertje en moedertje spelen onder homoseksuelen heeft me altijd tegen de borst gestaan. Ik misschien in dat stuk moeten schrijven dat ik iets tegen mietjes had, maar dat het wel míjn mietjes waren. Het had ook te maken met mijn ontdekking dat homoseksualiteit niet bestaat, maar eindeloos veel variaties heeft.  Dus dat was daar een fase in, in die ontdekking. Ik denk ook dat homoseksuelen niet onder een noemer zijn te plaatsen. Ze zijn weliswaar te onderscheiden van heteroseksuelen, maar goed je kan net zo goed negers van blanken onderscheiden omdat ze zwart zijn.  Da’s altijd een flauw argument. En homoseksuelen zouden te onderscheiden zijn, omdat ze niet heteroseksueel zijn. Ik denk ook dat er vaak tussen homoseksuelen grotere verschillen onderling zijn, dan mogelijk tussen een heteroseksueel en een homoseksueel Dat zijn toch heel andere grenzen. En daar ben ik ook niet over uit. Dus ik probeer er af en toe maar weer eens een mening over te vormen. Het enige wat ik wel weet is dat het meer heeft te maken met je mentaliteit dan met je seksuele gerichtheid. Die gerichtheid is ook helemaal niet zo interessant. En die gaat eigenlijk ook niemand iets aan. Maar er is meer dan dat. En daar probeer ik wel eens over te toppen en daar ben ik nog niet uit.”

Moederskindje

“Ook heb ik veel geschreven om de feministische beweging van die tijd te provoceren. Dat gemopper op vrouwen is natuurlijk een heel oud thema in de literatuur en de filosofie. Als je iemand ontzettend gemakkelijk op de kast te krijgen is dan ga je diegene juist provoceren. Maar ik zou geen maanden of jaren met een vrouw kunnen leven. En dan gaat het niet alleen om dat ondergoed. Het heeft ook te maken met manieren en dingen aanpakken. Maar toen ik dat schreef was ik nog lang niet alle goede vriendinnen tegen gekomen! Ik ging heel weinig met vrouwen om. Ik denk dat ik het zelfs tot mijn dertigste een beetje griezelig vond om met ze om te gaan.  Het waren toch buitenaardse wezens. En dat hou je er altijd in natuurlijk. Misschien heeft homoseksualiteit, bij sommigen, ook wel een component van angst voor vrouwen. Dat zou ook best wel eens een ingrediënt kunnen zijn. Maar dat het niet zo hoeft en niet altijd zo is, dat weet ik ook wel. Net zoals ik weet dat homoseksuelen niet altijd van hun moeder hoeven houden en nooit van hun vader. Ik ben dol op mijn vader en de relatie met mijn moeder was toch ánders. Niet dat ik niet van haar hield, maar ik beantwoorde ook niet aan dat traditionele beeld van moederskindje en altijd onder de rokken en bij moeder op schoot. Mijn jeugd in Winterswijk was eerder geïsoleerd dan eenzaam te noemen. En ik doe daar ook niet zielig mee. Ik zat daar gewoon niet op de goede plek. Ook niet in de goede tijd. Pas in de jaren negentig vond ik dat de tijd een beetje op mij begon te lijken. Als kind ken je zo’n woord als eenzaamheid niet, dus je weet eigenlijk ook niet beter. Pas achteraf kijk je terug en kom je tot conclusies. Je was natuurlijk heel geïsoleerd in zo’n plattelandsgemeenschap, vooral in relatie tot je dromen, aspiraties en verlangens. Had heel weinig vriendjes om mee te spelen. Dat moet een verpletterend gevoel van eenzaamheid geweest zij, waar je je als kind waarschijnlijk geeneens bewust van bent. Ach, wat verschrikkelijk is dat, een kinderleven! Maar die mensen waren er gewoon niet. Ik betrap me er nog steeds wel op dat ik tegen stoelen en lantaarnpalen sta te praten. Ik kan daar heel goed een gesprek mee voeren, hoor. Maar ik ben bang als ik dat vertel, dat ik dan een beetje Irene-achtig overkom. Maar dat doe ik dan, omdat ik gewoon wat praten wil. Weet heus wel dat zo’n ding niets terug zegt. Je kon wat je wilde natuurlijk nergens kwijt. Een kind wat gevoelens had waar geen taal voor was en dat ook nog eens van lezen hield! Dat deugde natuurlijk niet in die kringen. Vandaar dat je heel erg neigde naar een soort autistisch gedrag. Dat je bezig bent je eigen wereld te rangschikken en te ordenen. Op mijn veertiende schreef ik al gedichtjes. Ik maakte hele woordenlijsten en allerlei tabellen van woorden. En hele anagrammen en woorden die van achteren naar voren hetzelfde waren als van voren naar achteren. Ik kon daar hele schriften en boekjes van maken. En dat was nog voor het stadium dat je twee woorden achter elkaar zet die daadwerkelijk iets dieps betekenen. Toch was dat ook weer verre van dramatisch. Er stond ook heel veel tegenover. Ik heb eigenlijk een heel gelukkige jeugd gehad en dat hoor je tegenwoordig ook maar zelden. De goddelijke eenzaamheid. Het genoeg hebben aan dingen. Dat was het óók.”

Doodgeknuffeld

“En die eenzaamheid, dat niet-op-je-plaats-zijn heeft ook zijn voordelen gehad. Ik heb ooit geschreven dat  dichters, homoseksuelen en emigranten alle drie misplaatst zijn. Door hun creativiteit, hun averechtse geaardheid en hun letterlijke buitenstaanderschap tarten ze het nuchtere verstand, de maatschappelijke norm en de burgerlijke honkvastheid. Ik denk in feite dat ook de ingeburgerdheid een reden was waarom Charles en ik weg uit Nederland zijn gegaan. We hadden het te druk met te veel feestjes en party’s terwijl je ook nog ‘ns aan je werk moest denken. En andere reden was ook omdat je om allerlei redenen doodgeknuffeld werd. Als criticus kwamen er plotseling klachten van mensen die nog niet door mij bekritiseerd waren. Criticus is eigenlijk een verschrikkelijke functie! Maar ook als hippe homoseksueel werd je opeens doodgeknuffeld. Dat omhelzen benauwt me. Ik zocht dus een bewuste mogelijkheid om een ander buitenstaanderschap te zoeken. Zoiets van: “Ik moet weg! Ze houden van me. Verschrikkelijk!” Dus gingen we naar Portugal. Dan zit je in ieder geval geografisch anders. Maar ik had natuurlijk geen idee wat daar de uitwerking van zou zijn. Uiteindelijk moet je dan weer toch tot die gruwelijke scheurkalender-waarheid komen dat je jezelf toch overal mee naar toe neemt waar je ook gaat zitten. Geografische verplaatsing lost niets op.”

“Geluk? Dat kan alleen maar bestaan in de vorm van het zoveel mogelijk vermijden van ongeluk.”

Eenzaamheid

“Niet dat ik ergens voor op de vlucht ben. Die afstand van Nederland vind ik heerlijk. Hier ben ik tenminste nog anders. Dat anders-zijn heb ik toch wel nodig. Wel lijd ik aan een permanente rusteloosheid. Vaak denk je dat je je beste werk nog moet schrijven. Dat je aan het begin staat. Dat je alles over wil doen. Erg voldaan ben ik dus niet. Daar ben ik te ambitieus voor. Je kan altijd meer en beter presteren. Dat wil je niet, dat zit er gewoon in. Dat heb je niet te willen. Je hebt nu eenmaal talent. Ik heb steeds het idee dat ik iets moet bewijzen. Dat je op de wereld bent om iets tot stand te brengen. Dat dat ook iets moet zijn wat zin heeft en dat kan natuurlijk niet altijd door bijvoorbeeld tijddruk. Maar écht ambitieus ben je natuurlijk alleen wanneer je je hele leven niets doet en alleen maar op die ene definitieve zin zit te broeden.  Dus alles heeft een zekere mate van  onvolkomenheid, al is het vaak een onvolkomenheid die je alleen zelf maar weet. Dus in die zin ben ik wel ambitieus dat ik me er verschrikkelijk bewust van ben wat ik nog moet doen. En die eerzucht gaat ten koste van levensgeluk. Je houdt heel weinig tijd over om eens onderuitgezakt nu eens echt te genieten van wat je hebt of van wat je zou kunnen hebben. Je verwaarloost je vriendschappen. Je kan heel moeilijk je gedachten eens opzij zetten. Ik heb zes jaar gedaan over het boek wat nu uitkomt en er zijn vier versies van geschreven. Veel dingen doorgescheurd en opnieuw begonnen. En toch ook ben ik heel erg lui. Ik ga er op prat dat nog nooit iemand me op werken heeft betrapt. Ik moet mezelf voortdurend dwingen iets te doen. Deadlines helpen in die gevallen. Van nature stel ik heel veel dingen uit én ervaar die neiging tegelijkertijd weer als last. Het is geen welgedane luiheid. Een vaak onrustige luiheid zo van: “Ik heb geen zin. Ik wil niet.” Een sprong die je elke keer weer moet nemen om iets te doen.

“Ook ben ik een melancholisch mens. In die zin dat ik heel snel probeer stormen van depressies probeer af te weren. Daar kan je een zeker mechanisme voor ontwikkelen. Melancholie kan ook naar de ernstige kant neigen. Depressies en neerslachtigheid… Maar ik kan ook heel melodramatisch zijn. Kan me heel snel laten gaan en bij de televisie zit ik altijd te janken en tranen weg te persen! Maar die eenzaamheid uit mijn jeugd heb ik niet meer. Het heeft me een bepaalde meerwaarde in mijn leven gegeven. Dingen op een andere manier van buiten uit bekijken. Maar dat strikt eenzame… nee. Ik heb, in tegenstelling tot in mijn jeugd, mijn werk. En ook als ik zeven dagen opgesloten in een kamer zou zitten en niets zou doen, dan zou ik mij niet vervelen. Ik ken dus niet de eenzaamheid dat ik voortdurend ergens naar toe moet. Mensen zien. Alleen-zijn doet me niets. Maar dat is ook een heel oppervlakkige eenzaamheid. Maar er is natuurlijk ook die andere eenzaamheid met kapitale hoofdletters. En die is zo algemeen dat ik het daar beter maar niet over kan hebben.  Ik ben geen psycholoog, ik ben geen filosoof, ik weet niets van die dingen of hoe ik die moet benoemen. Het heeft er misschien mee te maken dat je er, in de allerlaatste seconde, alleen voor staat. Ondanks alles. En dat zal je nooit bevrijden van het begrip eenzaamheid.

En geluk? Dat kan alleen maar bestaan in de vorm van het zoveel mogelijk vermijden van ongeluk. Wat moet je met geluk? Gelukkige mensjes zijn? Dat past wel bij Nederland en bij deze tijd. Het maakt sommigen misschien mild. Maar het is ook wat saai, nietwaar? En met geluk valt niet mee te leven. Heel veel mensen denken dat een kort moment van hitsigheid met liefde heeft te maken. Van gehechtheid aan iets. Liefde is ook iets heel onvolkomends. Iets wat je niet kunt benoemen of onder woorden kunt brengen. Wil je met liefde iets geven of iets hebben? Dat is een groot probleem. Om in een voortdurende staat van liefde te verkeren lijkt mij onmogelijk. Maar het lijkt me nog onmogelijker, of verschrikkelijker, om niet in staat tot liefde te zijn. Mildheid kan daar een oorzaak van zijn. En ik ontken die te hebben. Laten we het er daar op houden.”

Bron: sQueeze