Jonas Gardell

Creatief duizendpoot Jonas Gardell is een begrip in Zweden, waar hij wordt gezien als het moreel geweten der natie. In zijn trilogie Droog tranen nooit zonder handschoenen over de aidscrisis in de jaren tachtig houdt hij Zweden genadeloos de spiegel voor.

Tekst: Gideon Querido van Frank/ Foto’s: Jan van Breda
Dit artikel verscheen eerder in GayKrant

Kroonprinses Victoria van Zweden gooide hoge ogen toen zij als verrassing verscheen op het LHBT’er van het Jaar2013-gala, in februari, in Stockholm. Guitig en charmant als altijd liep ze op de deunen van ABBA’s Dancing Queen het podium op en sprak de nu al als historisch bestempelde woorden: “Ik vind het heel fijn om hier vanavond te zijn. Ik voel jullie kracht, geluk en jullie gevoel voor gemeenschap.” Toch was het niet de toekomstige koningin der Zweden die de show stal. Toen zij Jonas Gardell als winnaar van de prestigieuze prijs uitriep, ging het dak eraf. Onder luid gejoel beklom de schrijver het podium, gaf Victoria een innige omhelzing en richtte het woord respectvol tot haar: “Victoria, jij bent onze kroonprinses. Maar volgens mij ben ik vanavond… onze koningin.”

Heilige huisjes

En gelijk had hij. Gardell (1963) werd uitgeroepen tot meest populaire homo van het jaar 2013, maar hij had net zo goed uitgeroepen kunnen worden tot meest populaire Zweed. Van de afgelopen decennia.

Hij brak door in 1985 met zijn literaire debuut Passionsspelet. Niet alleen wegens stijl en vorm was het boek vernieuwend, maar ook omdat het voor ’t eerst in de Zweedse geschiedenis was dat een verhaal  over de liefde tussen twee mannen een regelrechte bestseller werd. Vanaf dat moment begon Gardells ster te rijzen. Tientallen romans volgden, die allemaal werden vertaald en garant stonden voor lovende recensies en belangrijke literaire prijzen. Van zijn En Komikers Uppväxt werd een populaire televisieserie gemaakt, die zorgde voor Gardells doorbraak bij het grote publiek. Naast zijn romans publiceert Gardell toneelstukken, essays en filmscenario’s en alsof dat niet genoeg is, is hij een van Zwedens meest geliefde stand-up comedians. In zijn optredens neemt Gardell geen blad voor de mond en heeft hij – zoals in zijn romans – al menig heilig huisje omver geworpen.

Terugkerend thema in zijn werk is (zijn eigen) homoseksualiteit en de strijd voor homorechten. Hij is getrouwd met Mark Levengood, waar hij twee kinderen mee heeft, het koppel wordt in de media liefkozend het royal gay couple van Zweden genoemd.

“Het waren mensen van vlees en bloed en ik schroom niet om ook de minder aantrekkelijke dingen te vertellen. Dus ik heb het ook over de orgies, de hoeren, de drugs en de pisseks”

In 2012 verscheen het eerste deel van Gardells langverwachte trilogie Torka aldrig tårar utan handskar (Droog tranen nooit zonder handschoenen) getiteld Kärleken (Liefde); dit jaar het tweede Sjukdomen (Ziekte) en ook het derde deel Döden (Dood). In dit vuistdikke Magnus opus vertelt Gardell het verhaal van twee jonge geliefden tegen de achtergrond van de oprukkende aidscrisis in het Stockholm van de jaren tachtig. Het verhaal is zowel een ontroerend liefdesverhaal als een verontrustende kroniek van een weggemoffelde periode uit de Zweedse geschiedenis: een tijd waarin bijna een hele generatie homomannen weggevaagd werd door een dodelijke epidemie, doodgezwegen door overheid en media.

Droog tranen nooit zonder handschoenen sloeg in als een bom in Zweden: elk deel was binnen de kortste keren uitverkocht en al snel verscheen er een succesvolle televisieserie gebaseerd op de boeken. Maar nog belangijker: het zelfbeeld van Zweden als tolerant land lag in duigen en met uitvoerige debatten over de behandeling van homo’s tijdens de aidscrisis gingen er stemmen op om de homogemeenschap een officieel excuus aan te bieden. Meer dan genoeg reden dus voor de GayKrant om naar Zweden af te reizen om deze Jonas Gardell te ontmoeten.

Wat was voor je de aanleiding om Droog tranen nooit zonder handschoenen te schrijven?

“Ik was jong in de jaren tachtig en heb de aidsepidemie van dichtbij meegemaakt én overleefd, in tegenstelling tot mijn meeste vrienden. Daar voelde ik me enorm schuldig over. Het minste wat ik kon doen, was over deze tijd te schrijven; om de herinnering levend te houden aan al die levens die zijn weggevaagd. En om de enorme taboe die in die tijd op aids rustte aan te kaarten. Aidspatiënten werden namelijk omringd door schaamte. Niet alleen in de media en de politiek, maar ook familieleden van de slachtoffers namen het woord aids niet in de mond. Het werd letterlijk doodgezwegen. En als er over werd gesproken, dan was dat uiterst haatdragend. Ik weet nog dat een grote Zweedse krant aids denigrerend de flikkerpest noemde. Er was geen hetero die daar aanstoot aan nam. Er gingen stemmen op om homo’s met aids in concentratiekampen op te sluiten, zodat zij geen hetero’s konden besmetten. Kranten weigerden resoluut om rouwadvertenties op te nemen van homoseksuele partners van aidsslachtoffers. Ik voelde dat ik als schrijver en overlever de morele plicht had om de wereld over deze gebeurtenissen te vertellen. We moeten herdenken en onthouden. Wanneer we het verleden vergeten, dan verliezen we de toekomst. Of preciezer gesteld: wanneer we vergeten waar we vandaan komen, wanneer we vergeten hoe hard we gevochten hebben voor de rechten en privileges die we vandaag de dag genieten, dan zullen wij deze uiteindelijk kwijtraken.“

Waarom heb je voor een trilogie gekozen?

“Ik wilde een groot, episch werk maken met heel veel pagina’s. Mijn vrienden hebben kort geleefd; wat zij in jaren tekort zijn gekomen, geef ik hun in pagina’s terug. Door hun levens uitvoerig te beschreven kan de lezer ze lang bij zich houden en een band met ze opbouwen. Daar gaat het mij om: zij die onzichtbaar en monddood zijn gemaakt, weer zichtbaar maken en een stem te geven. Uitgebreid, in alle geuren en kleuren, zodat iedereen ziet hoe ze waren, zodat iedereen hun de liefde kan geven die zij in hun leven zo weinig hebben ontvangen. Door mijn schrijven, wordt hun lijden eindelijk na al die jaren erkend en rouwt heel Zweden om ze. Ik wilde de geschiedenis van de homogemeenschap vertellen – het verdriet, de saamhorigheid, de humor én de successen – omdat dit geen obscure geschiedenis is, maar een belangrijk onderdeel van de Zweedse geschiedenis.”

“Ik wil seks terugbrengen in het woord homoseksueel: we hoeven niet de ideale schoonzoon te zijn, we zijn een stelletje cocksuckers en ass-rimmers

Je wilt dat je personages als martelaren worden ervaren?

“Nee. Het is heel belangrijk voor me dat mijn personages beminnelijk uit de veren komen. Want dat waren ze en ik wil dat ze zo herinnerd worden. Maar het waren geen heiligen, verre van dat – het waren mensen van vlees en bloed en ik schroom niet om ook de minder aantrekkelijke dingen te vertellen. Dus ik heb het ook over de orgies, de hoeren, de drugs en de pisseks. De werkelijkheid bestaat immers uit grijstinten en ik vind het belangrijk dat alles wat ik beschrijf, ook echt gebeurd is. Zo heb ik ter voorbereiding veel mensen geïnterviewd over hun ervaringen in het aidstijdperk en heb grondig archiefonderzoek gedaan.”

Waarom is dat waarheidsgehalte zo belangrijk voor je?

“Zodat dan niemand kan zeggen: ‘Je overdrijft, je dikt het aan’. Mijn trilogie kun je zien als een aanklacht en zoals elke aanklacht moest ook deze goed gedocumenteerd worden – ik wilde tenslotte dat mijn verhaal serieus genomen zou worden. Ik heb niets overdreven en niets is aangedikt, alles is echt gebeurd. Het gewenste effect is bereikt; de boeken zorgden voor een enorme schok in Zweden. Er werd gepleit om de nabestaanden te compenseren en de homogemeenschap een officieel excuus aan te bieden. Dat laatste is wat mij betreft niet nodig,  mij gaat het er slechts om dat de hele natie weet wat er is gebeurd.”

Je leest vaak dat het moment waarop de aidscrisis uitbrak heel wrang was. Op het moment dat homoseksuele mannen – misschien wel voor het eerst in de geschiedenis – in relatieve vrijheid openlijk konden leven, ontstond er een ziekte die aan alles weer een einde maakte. Van de kast naar de doodskist.

“Klopt, de  seksuele revolutie van de jaren zeventig was een korte periode van vrijheid en blijheid, tien jaar later met de opkomst van aids dook de grote schaamte weer op. Je moet je voorstellen: we waren net vertrokken uit onze geboortedorpjes waar we de nodige ellende als kastnichten hadden meegemaakt. De homo’s en lesbo’s die niet ten prooi vielen aan zelfhaat en zelfmoord, trokken naar Stockholm op zoek naar liefde en vrijheid. Maar ons zelfrespect was heel nieuw en heel kwetsbaar. We waren niet gewend om over seks, gevoelens en liefde te praten. We moesten alles op onze eigen manier zelf uitvinden. In een omgeving die ons vijandig gezind was. In bijna alle gevallen zonder hulp van ouders en familie. Dus we creëerden onze eigen familie. Toen kwam aids op en voelden we ons angstiger dan ooit tevoren. We wisten niet wat er ging gebeuren, het voelde als oorlog: je vrienden vielen bij bosjes neer. Was dit onze straf? Het gevoel van schaamte was weer terug en homo’s gingen massaal de kast weer in.”

Toch heb jij dat nooit gedaan, je bent zelfs erg vroeg uit de kast gekomen. Hoe is dat gegaan?

“Ik was op mijn zestiende uit de kast en verkondigde dit op mijn achttiende op de Zweedse radio. Mensen konden hier telefonisch op reageren en meteen werd er geroepen dat Hitler zijn werk niet had afgemaakt. Een paar jaar later noemde een grote Zweedse krant mijn eerste boek Passionsspelet walgelijk en weerzinwekkend vanwege de homoseksuele content. Dit was een gangbare reactie in die tijd. Ik was een van de allereerste openlijke homo’s in Zweden, maar de reden hiervan had te maken met een groot trauma. Ik werd op mijn veertiende verkracht door een oudere man en kort daarna overwoog ik zelfmoord. Maar ik besloot uiteindelijk door te blijven leven, nooit wilde ik me zo zwak voelen als toen. Het was een bewust besluit om dapper te zijn, wat er ook zou gebeuren. Mijn coming-out lag in het logische verlengde hiervan. Natuurlijk ging dat pad niet over rozen. En nog steeds niet. Laatst nog werd ik door neonazi’s in de metro van Stockholm uitgescholden. Ik rende niet weg en begon terug te schreeuwen, hoewel ik wist dat in elkaar geslagen zou worden. Toch voelde dat niet zo, want ik heb ook tikken uitgedeeld: het draaide uit op een heuse vechtpartij. Een gevecht waar ik helemaal geen zin in had en een gevecht dat ik uiteraard verloor, [lachend] ik ben nu eenmaal een kleine dwerg… Maar ik zal altijd terugvechten.”

Dat vechten heeft zijn vruchten afgeworpen, er is zoveel veranderd op het gebied van aids en op het gebied van homorechten.

“Naast schrijver ben ik ben komiek en omdat mensen van lachen houden, houden ze van mij. Ik ben een troetelkind in de Zweedse media en door gebruik te maken van die positie, heb ik mijn steentje kunnen bijdragen aan de homo-emancipatie in dit land. Toen er werd gediscussieerd werd over het homohuwelijk was een veelgehoorde vraag: Waarom zouden Jonas en Mark in hemelsnaam niet met elkaar mogen trouwen? Ja, de wereld is veranderd, of beter: wij hebben de wereld met z’n allen veranderd. Ook op het gebied van aids; dankzij onderzoek en nieuwe medicijnen is de ziekte niet meer levensbedreigend. Dat is goed nieuws, maar daardoor wordt er veel minder over gesproken dan zo’n tien jaar geleden. De grote campagnes in Zweden zijn verleden tijd. Ook in de homowereld staat aids minder hoog op agenda. Sterker nog, bare backing neemt toe onder jonge homo’s. Dat is zorgwekkend. Mensen met hiv worden nog steeds gemarginaliseerd – er is een wet in Zweden die bepaalt dat je de gevangenis in moet wanneer je niet eerlijk bent over je positieve status. Ben je een immigrant met hiv, dan wordt je naar land van herkomst teruggestuurd ook al is daar homoseksualiteit illegaal. We moeten als samenleving en als gemeenschap over aids en hiv blijven praten, want het is nog niet voorbij. Maar weinigen willen hier vandaag de dag mee bezig zijn.”

Waarom niet?

“Tegenwoordig is gay voornamelijk synoniem aan happy & beautiful. Ik krijg zelfs een prijs voor leukste homo uit handen van de toekomstige koningin van Zweden. Begrijp me niet verkeerd: zoiets is fantastisch, maar homo’s zijn als IKEA geworden: schoon, gezond en gewoon. Ironisch genoeg is deze ontwikkeling het logische gevolg van onze jarenlange strijd voor gelijkheid. Maar is dit echt de eindstreep? Ik denk en hoop het niet. Ik wil seks terugbrengen in het woord homoseksueel: we hoeven niet de ideale schoonzoon te zijn, we zijn een stelletje cocksuckers en ass-rimmers.” Lachend: “Als we dat niet inzien, dan is het enige dat overblijft fluorescerende kleding en een slechte muzieksmaak. En zelf dat hebben hetero’s van ons gestolen.”

Liefde wordt in Nederland door Uitgeverij De Geus uitgegeven en ligt nu in de winkel. Ziekte en Dood verschijnen in  de loop van 2014.